In een eerder stuk hield ik bewust een slag om de arm. We weten niet hoe ver de automatisering van kenniswerk door AI gaat, en hoe snel. Laat ik die voorzichtigheid nu even loslaten: stel dat het lukt. Stel dat machines binnen afzienbare tijd een groot deel van het betaalde denkwerk overnemen. Wat dan?

De eerste reactie is meestal angst en ongerustheid, over geld, maar vooral over de vraag waar mensen dan nog voor zijn. We hebben werk, inkomen en identiteit zo strak aan elkaar geknoopt dat we ons een waardig leven zonder betaalde baan nauwelijks kunnen voorstellen. Juist daar moeten we beginnen.

Werk is een bundel

Een betaalde baan levert meer dan loon. Ze geeft ritme aan je dag, een plek tussen anderen, en het gevoel dat je ergens aan bijdraagt. Loon, structuur, contact en status zijn nu aan elkaar verbonden in één pakket, gekoppeld aan de arbeidsmarkt.

Automatisering knipt vooral de eerste draad door: de markt heeft jouw arbeid niet meer nodig om geld te verdienen. Maar voor de mens veranderd er weinig: die heeft nog steeds geld nodig om van te leven, een dagritme, verbondenheid, en het besef dat ze ertoe doen.

Geen tekort aan waardevol werk

We vrezen een wereld zonder werk, terwijl er overal werk ligt dat niet gedaan wordt. Ouderen die meer aandacht verdienen dan er handen voor zijn. Kinderen die baat hebben bij kleinere klassen. Buurten die onderhoud nodig hebben, natuur die hersteld moet worden, kennis en cultuur die overdracht vragen. De lijst is lang en de behoeften zijn echt.

Er is dus geen tekort aan waardevol werk. Er is een tekort aan betaald werk, een wezenlijk verschil.

De voor de hand liggende tegenwerping is: als dat werk zo waardevol is, waarom betaalt de markt er dan niet voor? Het antwoord is dat de waarde ervan zich slecht laat verzilveren. De waarde ontstaat verspreid, ze ontstaat pas op lange termijn, of komt terecht bij mensen die niet kunnen betalen: een kind, een zieke, een ecosysteem, een volgende generatie. Het gaat om publieke waarde, en die organiseren we niet via de markt maar via gedeelde keuzes. Onderwijs, zorg en cultuur bestaan omdat we samen hebben besloten dat ze de moeite waard zijn, ook al leveren ze geen winst op. Het is werk dat zich slecht laat automatiseren, want het draait om aanwezigheid, menselijke interacties en relaties. Het is werk dat mensen voor mensen doen.

Zorg en onderlinge afhankelijkheid als ordenend principe

We kunnen dus anders over werk na gaan denken. Zolang we “werk” gelijkstellen aan “betaalde baan”, ziet een toekomst met minder banen er leeg uit. Zodra we kijken naar “werk” als “bijdrage aan de maatschappij in bredere zin”, gaat er een wereld aan mogelijkheden open. Een groep Britse onderzoekers heeft dit idee uitgewerkt onder de noemer van zorg als ordenend principe, op elke schaal: van het huishouden tot de gemeenschap, de economie en de natuur. De kern is dat we op duizenden manieren van elkaar afhankelijk zijn, of we dat nu prettig vinden of niet. Niemand redt het alleen, niet als kind, niet als zieke, niet als oudere, eigenlijk op geen enkel moment in ons leven. Een samenleving die dat erkent, zet zorg centraal in alles wat ze doet.

Waar is de economie eigenlijk voor?

De econoom Kate Raworth heeft hier een model voor, dat ze de donut noemt. In haar model gaat het er niet om de economie zo groot mogelijk te maken, maar om de behoeften van iedereen te vervullen binnen de grenzen van de planeet. Een sociale ondergrens waar niemand doorheen zakt, en een ecologisch plafond dat we niet doorbreken. Daartussen ligt de ruimte waarin een samenleving kan floreren.

Het aantrekkelijke van dat beeld is dat het groei van zijn voetstuk haalt zonder welvaart overboord te gooien. Groei wordt een middel dat soms nodig is en soms niet, in plaats van een doel op zich. De maatstaf verschuift van hoeveel we produceren naar de vraag of mensen en leefomgeving er werkelijk beter van worden. Van “hoe houden we de productie op gang" naar “waar is die productie eigenlijk voor”. Amsterdam was in 2020 de eerste stad die dit model omarmde als kompas voor beleid.

Een uitkering of een baangarantie

Tot zover de kompasrichting. Maar een richting is niks zonder uitvoeringsopties. Als we het inkomen losweken van betaalde arbeid, komen er twee praktische vragen op tafel. Hoe komen mensen aan een inkomen? En hoe wordt al dat waardevolle, maar onbetaalde werk gefinancierd en serieus genomen? Hier lopen de antwoorden uiteen.

Een vaakgehoord antwoord is het onvoorwaardelijke basisinkomen: de overheid geeft iedereen een vast bedrag, los van werk. Het is eenvoudig, het geeft mensen vrijheid, en het laat de staat buiten de vraag wat waardevol werk is.

Een ander antwoord is een baangarantie, het sterkst uitgewerkt door de econoom Pavlina Tcherneva. De overheid biedt iedereen die wil werken een baan tegen een fatsoenlijk vast loon, juist in het werk dat de markt laat liggen: zorg, gemeenschap, natuurherstel. Wie geen plek vindt in de private sector, kan hier terecht. Zo’n baangarantie werkt ook als automatische stabilisator. In slechte tijden, als bedrijven mensen laten gaan, groeit het programma. In goede tijden, als de private sector aantrekt, krimpt het vanzelf weer.

Ik neig naar de baangarantie, om twee redenen. De eerste is dat een basisinkomen mensen vooral tot consument maakt. Het geld houdt de economie op gang, maar het werk dat we juist gedaan willen hebben, ontstaat er niet door. De zorg, de aandacht, het herstel: dat moet nog steeds door iemand gedaan worden. Een baangarantie regelt het inkomen én het werk in één beweging, en geeft mensen wat een uitkering niet geeft: een plek in de maatschappij en een mogelijkheid om daaraan bij te dragen. De tweede reden is politieke houdbaarheid. Een kale geldtransfer is kwetsbaar. Hij is makkelijk weg te bezuinigen, negatief te framen als gratis geld, of stilletjes te laten uithollen. Werk waar mensen en buurten zichtbaar baat bij hebben, is veel lastiger af te schaffen.

En de kosten dan? Die vormen een minder harde grens dan vaak wordt gedacht. De stroming achter de baangarantie, de moderne monetaire theorie (MMT), wijst erop dat een staat die zijn eigen munt uitgeeft niet zomaar door zijn geld heen kan raken zoals een huishouden dat kan. De enige echte beperking is wat er aan mensen, materiaal en milieu beschikbaar is. Het verschuift de vraag van “kunnen we het ons veroorloven” naar “hebben we de mensen en middelen om dit te doen?”.

De baangarantie heeft ook zijn zwakke plekken: werk dat verdwijnt zodra de economie aantrekt, past bijvoorbeeld slecht bij zorg en natuurherstel, die juist continuïteit vragen.

Wat is van waarde?

En wie bepaalt er eigenlijk wat als waardevol werk telt? Bij een baangarantie ligt dat antwoord deels bij de staat, en dat is een reëel risico. Wie de lijst bepaalt, bepaalt veel. Maar misschien is dat geen weeffout die we moeten wegwerken. Misschien is het de kern van de zaak. In een wereld waarin machines het meeste betaalde werk kunnen doen, is de vraag wat menselijke inzet waard is een politieke en morele vraag, en die hoort thuis bij ons allemaal, niet bij een algoritme, een markt of een ministerie alleen.

Naast het verstevigen van het vangnet moeten we samen uitvinden welk werk we de moeite waard vinden om te behouden, te verdedigen en te laten groeien. Dat gesprek voeren we nu nauwelijks. We zouden er beter aan doen het te beginnen voordat de techniek de keuze voor ons maakt.

Links: